Mijn schoolgeschiedenis: voortgezet onderwijs

Bord kopieIk moet mijn boeken en mijn rooster ophalen. Ik fiets voor de zoveelste keer naar het enorme pand aan de Oranjelaan en zoek mijn lokaal. Het is een zonnige dag maar ik heb een bonk klei op de plek van mijn hart zitten. Ik ben de eerste en ga achterin de klas zitten.

Ik heb de eerste drie jaar in dit gebouw door gekluund en ben in de vierde beland. Ik heb mijn positieve levensinstelling onverminderd in me maar er is ieder jaar in de schoolbanken meer en meer gedoofd. Het mechanische van dag in, dag uit, heeft een soort repeteergeweer patroon in mijn hersens gebrand. Ik haat het dat ik gedwongen word mij te laten voorbereiden, ‘voor later’ op een plek in de tredmolen van werk. Ik haat het dat ik mijn leven nu moet uitstellen. Ik vind het bizar en naar. Ik ben daar om de zoveel tijd weer woest over in verzet, opstandig. ‘Jij bent recalcitrant’, zegt een van de weinig leuke knullen op een dag waarderend tegen me. Het is het enige woord dat ik uit mezelf, met plezier in het woordenboek heb opgezocht in mijn hele schoolgeschiedenis. Er is in al die jaren dat ik van de ene leerfabriek naar de andere slof, niets veranderd. Ik vind nog steeds alleen maar gym leuk en als ik verliefd ben, brengt dat de zon terug achter mijn gesloten innerlijke gordijnen.

Ik word verliefd. Enorm. Als hij het klaslokaal in komt, ben ik bij mijn eerste blik op hem definitief volkomen tot aan mijn enkels afgebrand. Daar  komt hij zo maar door die deur van het klaslokaal mijn leven in lopen en als onze ogen een seconde in elkaar haken stort de klomp klei van mijn hart af en het begint weer te kloppen. Ik huppel bijna het gebouw uit met die loodzware boekentas vol onzin die ik in mijn brein moet gaan zien te krijgen.

Dat schooljaar is het enige schooljaar dat op gezette tijden in mij het leven weer kolkt. Ik kan, ondanks de gevangenschap van het tot school veroordeeld zijn, weer wat ademen. Alle lesuren die ik doorbreng in hetzelfde lokaal als hij, lichten mijn door verplichtingen zwaar geworden leven op.

Ik ontwikkel een nog diepere weerzin voor leren uit andermans boeken, het in mijn hersens moeten storten van informatie die ik niet alleen intens saai en dor vind maar waar ik ook op geen enkele wijze het nut van inzie. Het eenzijdige, dag in dag uit, slaapverwekkende cognitieve gereutel van de docenten, het monotone afwerken van lesroosters, het uit moeten kotsen van de ingenomen zinloze breindiarree op een papier waar dan een cijfer op verschijnt, bij mij meestal rood… Ik vraag me duizenden keren af hoe ik hier uit kan komen, welke weg ik zou kunnen inslaan om uit dit eentonige, ellendige bestaan te geraken maar hoe ik ook peins en pieker, ik zie het niet. Waar moet ik naartoe? En wat ga ik dan doen? Mijn leven is een droeve tredmolen, steeds maar hetzelfde, steeds maar hetzelfde. Dit leven is onleefbaar voor me.

Ik mis het vrij zijn, het uitgelaten een heuvel afrennen, mijn adem die mijn hele lichaam doorspoelt, het geluk te ervaren, te genieten van de bomen, de dieren, de natuur. Alles is dof. Zo dof. Alleen als ik hem zie leef ik weer wat. Als het lesuur dat ik naar hem kan zwijmelen voorbij is, dooft het weer in me. Ik sleep mijzelf door mijn leven.

Ik heb geen andere keus dan mij te bekwamen in mijn eerdere overlevingsstrategie: krachtmetingen uitlokken door mijn power en humor in te zetten om nog enig leven in de brouwerij te brengen. Ik drijf docenten tot waanzin met mijn steeds onvoorspelbare streken. Ik zoek plezier en het maakt me niet uit ten koste van wat. Als ik maar weer kan lachen, me ergens op kan verheugen, lol kan maken. Ik zet tafels van docenten op scherp zodat die van de verhoging donderen als er een tas op wordt gezet. Ik smijt tassen van docenten door het hoge raam naar buiten of jut anderen op het te doen. Er wordt een scheetzak aangeschaft en onder het kussen van een docent gelegd. We leggen een bh in de la van een docent. We spreken af als de leraar Frans, die geen orde kan houden, met zijn rug naar ons toe staat dat we allemaal tegelijk onze tafels naar voren opschuiven. De arme man kwam vast te zitten tussen de voorste tafels en het schoolbord en vluchtte over de tafels klimmende het lokaal uit. Het maakte niet uit, als ik maar kon lachen. Dan vielen die betonnen platen van binnen naar beneden en kon ik weer het leven een beetje voelen.

Het aantal keer dat ik bij de conrector zat is niet te tellen. Ik vertelde altijd wat ik had gedaan. Ik droeg de straffen zonder enige vorm van interesse. Het boeide me niet. Op de vraag of ik van plan was te gaan stoppen met mijn fratsen zei ik simpelweg: ‘Nee.’

De dag dat ik buiten op de grote trap met mijn diploma in de hand om me heen keek, naar ‘de wijde wereld die voor me lag’ en naar ‘de mijlpaal’ die er scheen te zijn, stortte ik innerlijk definitief in. Onzichtbaar, onmerkbaar, maar eigenlijk was bijna alles in mij dat van het leven hield gebroken. Daarvoor in de plaats was een bijna niet weg te krijgen dorheid gekomen en om de zoveel tijd verzet daartegen.

Werkelijke diepe innerlijke vreugde, vervulling, geluk, zonnigheid, zin in de dag, avontuurlijkheid… het was een herinnering. Het was er in een tiental jaar grondig uit geprogrammeerd. En voor mij lag het vervolg van de tredmolen. Ik mocht gaan kiezen: werken of studeren.

In pure nood heb ik het Amerikaanse leger gebeld. Dat leek avontuurlijk te zijn. Ik zag er van af. Geen zin in geweld. Ik ging marketing studeren..

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s